Click Fraud Protection

Taalkundige & inhoudelijke correctie van scripties en essays

Correctieschema
4.7/5     121 stemmen
121 stemmen


Wij hechten waarde aan je mening. Breng je stem uit en laat ons weten wat je van Scriptium vindt.

 

Onderstaand beoordelingsschema geeft aan welke inhoudelijke knelpunten je scriptie kan bevatten. Dit correctieschema kun je als toetsmiddel voor je eigen scriptie gebruiken. Op welke inhoudelijke punten we je scriptie, plan van aanpak of verslag nakijken, hangt af van welke specifieke problemen er in voorkomen. Onze inhoudelijke controle kan onder andere bestaan uit:

  • Aanscherpen onderzoeksvragen
  • Controle opbouw scriptie
  • Nagaan of theorie aansluit op onderzoeksvraag
  • Controleren of bespreking van methodiek compleet is
  • Nagaan of conclusie aansluit op uitgevoerde onderzoek
  • Wijzen op herhalingen en ontbrekende delen
  • Controleren of je logische redeneerlijn volgt

Om een impressie te krijgen van onze correctie kun je de voorbeelden bekijken.

Onderwerp en context

Het begin van je scriptie is belangrijk, omdat het voor de lezer in één keer duidelijk moet zijn waar het over gaat. Wees dus zo helder, compleet en concreet mogelijk.

  • Is de context duidelijk?
  • Beschrijf je op heldere wijze het onderwerp van je scriptie?
  • Is er een vloeiende overgang van de onderwerp- en contextbeschrijving naar de overige delen van de  inleiding?
Aanleiding

In de aanleiding beschrijf je waarom het onderzoek wordt uitgevoerd. Afhankelijk van de hoofdvraag zal de aanleiding gaan over een theoretisch probleem, een praktisch probleem of een combinatie van beide.

  • Beschrijf je op een duidelijke en logische wijze waarom het onderzoek wordt uitgevoerd?
  • Is het te rechtvaardigen dat juist deze vraag onderzocht zal worden (bestaansrecht onderzoek)?

 

Probleemstelling

De probleemstelling verwoordt het eigenlijke probleem waarover de scriptie handelt. Een te ruime (vage) probleemstelling geeft te weinig informatie over de beperkingen die je jezelf bij het onderzoek hebt opgelegd en is toepasbaar op vele mogelijke scripties over hetzelfde onderwerp. Alles wat niet wezenlijk bijdraagt tot een beter begrip van je onderzoek, leidt van de hoofdzaak af en maakt dat minder duidelijk wordt waar je onderzoek over gaat. Een handige toets is of je in één zin kunt formuleren wat je wil gaan onderzoeken.

 

  • Is de probleemstelling duidelijk en bondig gedefinieerd? De probleemstelling dient beperkt te zijn tot de essentiële aspecten van je onderzoek
  • Is de probleemstelling te ruim of te vaag geformuleerd?
  • Maak je het verschil duidelijk tussen probleemstelling en onderzoeksvraag? Een probleemstelling wordt bijvoorbeeld niet beantwoord, een onderzoeksvraag wel.

Relevantie 

De relevantie van een onderzoek beantwoordt de vraag waarom je iets wil weten. Hier geef je aan wat je onderzoek toevoegt aan de bestaande kennis. Dat kan een maatschappelijke relevantie zijn of relevantie voor het bedrijf of organisatie. Een onderzoeksvraag is relevant als de probleemstelling nog niet beantwoord is of als de probleemstelling de moeite van het beantwoorden waard is.

  • Ben je duidelijk en logisch in de beschrijving van de relevantie?
  • Theoretische relevantie: voegt je onderzoek iets toe aan de bestaande kennis? Vergroot het wetenschappelijke kennis?
  • Maatschappelijke relevantie: draagt het kennis bij voor anderen/lost het een maatschappelijk probleem op? 
  • Praktische relevantie: draagt het kennis bij ter verbetering van de (beroeps)praktijk?
  • Maak je goed onderscheid tussen relevantie en probleemstelling?
  • Gebruik je het juiste kopje voor de subparagraaf (bv. ‘Verantwoording’)?

Onderzoeksvraag

De  hoofdvraag vloeit voort uit de probleemstelling die je eerder hebt geformuleerd. Het is de algemene vraag over hoe dit probleem opgelost gaat worden.

  • Is je onderzoeksvraag neutraal geformuleerd? D.w.z. geen stelling innemen en geen gebruik van suggestieve woorden als ‘perfect’ of ‘goed’.
  • Is je onderzoeksvraag afgebakend? Is het helder welke zaken wel en niet onderzocht worden?
  • Zijn de variabelen/begrippen in je onderzoeksvraag concreet en meetbaar?
  • Bestaat je onderzoeksvraag uit één vraag (en dus niet uit twee of meerdere vragen)?
  • Is de vraag voor één uitleg vatbaar (door iedere lezer op dezelfde manier te interpreteren)?
  • Is je onderzoeksvraag niet te lang?
  • Is het een hoe of waarom- vraag? Dit voorkomt dat je onderzoek te beschrijvend wordt. Er moeten verbanden en effecten te onderzoeken zijn. Een hoe- of waarom vraag zorgt er ook voor dat je aan het slot van je scriptie concrete aanbevelingen kunt doen ter verbetering van een proces, beleid, dienst of product.

Deelvragen

Meestal wordt een hoofdvraag in verschillende deelvragen onderverdeeld. Via de deelvragen kom je tot de beantwoording van de hoofdvraag.

  • Vormen de deelvragen een precisering van de hoofdvraag of vallen ze er volkomen buiten?
  • Wordt met de beantwoording van de deelvragen uiteindelijk de hoofdvraag beantwoord?
  • Zijn alle deelvragen nodig voor het beantwoorden van de hoofdvraag?
  • Zijn er deelvragen die met elkaar of met de hoofdvraag overlappen?
  • Bestaan de deelvragen uit één vraag?
  • Zijn er niet te veel deelvragen opgenomen (3 à 4 is meestal voldoende)
  • Ben je concreet en specifiek genoeg in de formulering van de deelvragen?
  • Zijn de deelvragen suggestief geformuleerd? Suggestieve vragen zijn niet wetenschappelijk
  • Zijn de deelvragen in een logische volgorde neergezet, d.w.z. volgen ze de opbouw van je scriptie?

Leeswijzer

In de leeswijzer aan het eind van je inleiding beschrijf je kort de opbouw van de rest van je scriptie

  • Beschrijf je alle hoofdstukken van je scriptie? 
  • Is de leeswijzer niet te lang?
  • Is je scriptie logisch, volgens de gangbare opbouw gestructureerd?

Theorie

Het doel van het  theoretisch kader of literatuuronderzoek is te onderzoeken welke modellen en theorieën je gaat gebruiken voor je onderzoek. Om je literatuuronderzoek goed uit te voeren, neem je je probleemstelling en deelvragen als uitgangspunt. Je benoemt en definieert de belangrijkste begrippen uit je probleemstelling en deelvragen, en onderzoekt wat daarover vanuit de theorie bekend is.

  • Hebben je theorieën betrekking op je onderzoek/onderzoeksvraag?
  • Zijn de gebruikte theorieën specifiek genoeg? Te algemene theorieën voegen vaak weinig toe aan het gekozen onderwerp
  • Leg je de gebruikte theorieën voldoende uit?
  • Beargumenteer je waarom je bepaalde theorieën hebt opgenomen? De lezer moet begrijpen waarom de theorie is opgenomen en wat de elementen ervan betekenen.
  • Weid je niet teveel uit en sla je niet teveel zijwegen in?
  • Gebruik je niet te veel theorieën? Hou het aantal theorieën beperkt
  • Licht je abstracte of wetenschappelijke begrippen voldoende toe?
  • Vermeld je de geraadpleegde bronnen?
  • Zijn de bronnen recent genoeg en zijn het wetenschappelijke bronnen?

Methode

In het hoofdstuk  methode vertel je op welke wijze je de data gaat verzamelen. De gekozen onderzoeksmethode vloeit voort uit de onderzoeksvraag. Afhankelijk van je onderzoeksvraag is je onderzoek beschrijvend, verklarend, onderzoekend, definiërend, evaluerend of ontwerpend van aard. Je geeft aan of er sprake is van een kwantitatief onderzoek (cijfermatig onderzoek) of kwalitatief onderzoek (waarnemend onderzoek). Tevens bespreek je welke onderzoeksinstrumenten je hebt gebruikt, bijvoorbeeld interviews, enquêtes, focusgroepen of observaties.

  • Geef je duidelijk aan welke onderzoeksmethode(n) je hebt gebruikt en welke instrumenten?
  • Gebruik je de juiste methode voor het beantwoorden van je onderzoeksvraag en/of deelvragen?
  • Is het volledig? Ben je bijvoorbeeld niet vergeten de betrouwbaarheid en validiteit te bespreken?
  • Bespreek je hoe je aan je steekproef bent gekomen en kun je dit verantwoorden?
  • Geef je aan hoeveel respondenten/geïnterviewden er deelnamen?
  •  Betrek je de bespreking van de methoden in voldoende mate op je eigen onderzoek en verval je niet in algemeenheden?

Resultaten en analyse

In het resultaten-hoofdstuk beschrijf je de  resultaten van je onderzoek, die op basis van de uitgevoerde onderzoeksmethode(n) zijn verkregen. De resultaten moeten objectief worden weergegeven. Dit houdt in dat er nog geen conclusies aan worden verbonden. Er mogen echter wel verwachtingen worden gegeven.

  • Geef je de resultaten op een neutrale/objectieve wijze weer?
  • Hebben de resultaten betrekking op hetgeen je hebt willen onderzoeken?
  • Is het resultatenhoofdstuk in verleden tijd opgeschreven? Meestal wordt het resultatenhoofdstuk in verleden tijd geschreven, het onderzoek heeft namelijk al plaatsgevonden. Uitzonderingen zijn zinnen als ‘uit bovenstaande tabel blijkt dat…’.
  • Is er goed onderscheid te maken tussen resultaten en analyse?
  • Zijn er quotes van geïnterviewden opgenomen in het hoofdstuk?
  • Verwijs je naar bijlagen voor de enquêtevragen of interviewvragen?
  • Zijn de resultaten overzichtelijk weergegeven, bijvoorbeeld aan de hand van tabellen?

In de analyse analyseer je de verkregen resultaten. De resultaten van het onderzoek dienen teruggekoppeld te worden naar de onderzoeksvraag. Soms vindt de analyse enkel in het conclusiehoofdstuk plaats.

  • Trek je de juiste verbanden tussen de resultaten en onderzoeksvraag?
  • Zijn de verbanden die je trekt logisch? Worden ze gerechtvaardigd door de verkregen resultaten?
  • Formuleer je de analyse op een heldere en begrijpelijke wijze?
  • Is je analyse gebaseerd op alle belangrijke vragen van je onderzoek?
  • Zijn er inhoudelijke tegenstrijdigheden?

Conclusie

De conclusie is het sluitstuk van de scriptie. In de  conclusie trek je het verband tussen onderzoeksvraag en resultaten, geef je aan welke bevindingen je hebt gedaan door middel van je onderzoek, en beantwoord je de onderzoeksvragen. De conclusie kan soms ook aanbevelingen voor het oplossen van het probleem bevatten, en een discussiedeel, waarin je kritisch reflecteert op het onderzoek en bespreekt welk vervolgonderzoek met betrekking tot je onderwerp zou kunnen worden uitgevoerd.

  • Geef je in het begin van je conclusie nog eens aan waar je onderzoek over ging, ter verfrissing van het geheugen van de lezer?
  • Heeft de conclusie betrekking op hetgeen je onderzoekt/je onderzoeksvraag?
  • Is het niet te veel een samenvatting of herhaling van de resultaten?
  • Heb je erop gelet dat je geen nieuwe resultaten noch nieuwe theorieën bespreekt en dat alles wat je bespreekt voortvloeit uit de resultaten van je onderzoek?
  • Zijn de verbanden die je trekt logisch en helder geformuleerd?
  • Kun je het antwoord op je hoofdvraag verantwoorden op basis van de informatie in je scriptie?
  • Ben je genuanceerd genoeg in je conclusie?
  • Zijn de aanbevelingen bondig en to the point?
  • Dekken de aanbevelingen het gehele onderzoek?
  • Voegen de aanbevelingen iets toe?
  • Bevat het discussiedeel de vereiste elementen, namelijk reflectie op de wetenschappelijke beperkingen van het onderzoek en vooruitblik op vervolgonderzoek?
  • Sluit je af met een pakkende slotzin?

Je scriptie kan verschillende taalfouten bevatten. In onderstaand correctieschema geven wij in grote lijnen aan waar wij op letten bij het redigeren en nakijken van het taalgebruik en de structuur van je scriptie, en welk soort taalfouten er gemaakt zouden kunnen worden. Aan de linkerkant staat het type taalfout en aan de rechterkant een voorbeeld. Het schema kan ook als hulpmiddel dienen om zelf je scriptie te toetsen. Op de voorbeeldpagina van Scriptium kun je concrete voorbeelden van onze scriptiehulp bekijken. Om te tonen welke scriptiefouten we zoal tegenkomen hebben wij de top 100- lijst van veelgemaakte scriptiefouten voor je samengesteld.

Spelling

Spelfouten zijn overtredingen van de spellingregels

  • Tenslotte of ten slotte: tenslotte betekent immers, ten slotte betekent tot slot
  • Tenminste of ten minste: tenminste betekent althans, ten minste betekent op zijn minst
  • Teveel of te veel: teveel als het een zelfstandig naamwoord is (‘een teveel aan’), anders te veel 
  • Ten alle tijde of te allen tijden: te allen tijden is juist
  • Management assistent of managementassistent: managementassistent
  • Onmiddelijk of onmiddellijk: onmiddellijk
  • d/dt/t – fouten 

Grammatica- en taalfouten

Grammaticafouten zijn overtredingen van de taalregels. Het gaat om bijvoorbeeld het verkeerd vervoegen van werkwoorden of het verkeerd gebruik van als/dan, hen/hun, etc.

Wanneer iets een vergrotende of verkleinende trap heeft, gebruik je dan:

  • Scriptium biedt meer scriptiehulp dan andere bureaus 
  • Er worden dit jaar meer eisen aan de taalvaardigheid gesteld dan vorig jaar

Wanneer iets hetzelfde is, gebruik je als:

  • Afdeling A is even groot als afdeling B

Gebruik hen :

  • Na een voorzetsel: Hij gaf scriptiebegeleiding aan hen.
  • Als het een lijdend voorwerp is: Hij beveelt hen de onderzoeksrapporten te geven.

Gebruik hun:

  • Als het om een bezit gaat: Hun lesmethode is vernieuwend.
  • Als het woord te vervangen is door een voorzetsel en het woord hen: Ik geef hun de opdracht (hun is te vervangen met aan hen).

Andere voorbeelden:

  • Het meisje die daar loopt, volgt de masterstudie communicatie (die moet dat zijn)
  • Ze verhuist omdat ze volgt een nieuwe opleiding (verkeerde woordvolgorde)
  • De studiebegeleider wilde interveniëren (hier is interrumperen beter)

Vertelperspectief

Het standpunt van waaruit iets verteld wordt. Bijvoorbeeld ik-perspectief, je-perspectief, we-perspectief

De derde persoon verdient bij onderzoek de voorkeur. Je dient ook niet zomaar te wisselen van vertelperspectief en plots de ik-vorm te gebruiken daar waar je eerst een ander vertelperspectief hanteerde.

 

Tijd

Het gebruik van verleden tijd of tegenwoordige tijd. Vooral in het resultaten-gedeelte wordt dit vaak door elkaar gebruikt.

Er dient niet zomaar (zonder reden) in onderzoek overgegaan te worden van verleden tijd naar tegenwoordige tijd of omgekeerd.  Bijvoorbeeld:

  • 80% van de respondenten gaf aan het met deze stelling van de enquête eens te zijn. 5% geeft op deze vraag ‘geen mening’ als antwoord.

Voegwoorden

Juist gebruik van voegwoorden als ook, maar, want, terwijl, omdat, etc. Het juist gebruik van voegwoorden zorgt voor een logisch verband tussen de deelzinnen en zinnen.

Als en het iets formelere wanneer kunnen beide een voegwoord van tijd zijn, indien niet:

  • Geef je het door als/wanneer je je essay hebt afgeschreven? (= op dat moment)

Daarnaast kunnen als, wanneer en indien voegwoord van voorwaarde/veronderstelling zijn:

  • Als/wanneer/indien ik mij niet vergis, is 30 mei de deadline voor het inleveren van de Engelse thesis 

Omdat en doordat kunnen allebei een oorzaak aanduiden; omdat kan daarnaast betrekking hebben op een reden (er zit dan een drijfveer, overtuiging en/of gedachte achter). Juist zijn dus:

  • Hij zei dat hij zijn scriptie niet kon afronden omdat hij ziek was geworden. (reden)
  • Omdat hij moeite had met het formuleren van de onderzoeksvraag, moest hij scriptiehulp krijgen. (reden)
  • De leerlingen waren nerveus omdat het een moeilijk examen was. (twijfelgeval, maar het lijkt meer een reden dan een oorzaak)
  • Ik kon het klaslokaal niet betreden doordat/omdat de deur dicht was. (oorzaak)
  • De bachelorproef werd beoordeeld met een onvoldoende doordat/omdat het te veel taalfouten bevatte. (oorzaak)

Het woord echter staat bij voorkeur ergens na de persoonsvorm; in deze gevallen kan het niet vervangen worden door maar:

  • De analyse bleek echter niet te kloppen.
  • Uiteindelijk wilde hij me echter wel helpen met mijn onderzoeksplan.

Soms staat echter direct na het eerste zinsdeel:

  • De beoordelaar echter gaat met het onderzoeksplan akkoord

De zin kan ook beginnen met echter: er volgt dan altijd een komma:

  • Echter, die scriptie nakijken kost te veel.
  • Echter, de conclusies van dit verslag bleken juist.

Maar kan alleen vooraan in (een deel van) een zin staan zónder komma erachter:

  • We vroegen om minder huiswerk, maar kregen meer opdrachten.
  • Maar een eindwerk schrijven kost te veel tijd.

Woordcombinaties

Verkeerde woordcombinaties. Zorg dat je de juiste woorden op de juiste plek zet.

  • Ik besef mij dat ik hard moet leren (Ik besef dat)
  • Ik realiseer dat ik scriptiehulp nodig heb (Ik realiseer mij dat)
  • Hij maakte het besluit om nog een opleiding te volgen (Hij nam het besluit)

Verwijswoorden

Een verwijswoord is een woord of woordgroep die naar iets dat meestal net iets eerder of later genoemd wordt verwijst, bijvoorbeeld die/dat, deze/dit. 

Een veel voorkomende fout is het gebruik van ‘welke’ in plaats van ‘die’.

  • De scriptie, welke door de beoordelaar was afgekeurd.

Dit hoort te zijn:

  • De scriptie, die door de beoordelaar was afgekeurd.

Nevenschikking en onderschikking

Bij nevenschikking heb je te maken met twee of meer hoofdzinnen. Ondergeschikte zinnen zijn bijzinnen die deel uitmaken van de hoofdzin. 

De relatie tussen delen van samengestelde zinnen moet kloppen. Bijvoorbeeld: 

  • Hij bracht het meisje naar huis en de nacht vervolgens studerend door.

Dit moet zijn: 

  • Hij bracht het meisje naar huis en vervolgens bracht hij de nacht studerend door

 

Ontbrekende woorden/zinnen

Onafgemaakte zinnen of ontbrekende woorden maken dat een zin onleesbaar wordt of grammaticaal niet klopt

  • De situatie in dit studiejaar is te vergelijken met de afgelopen jaren.

Bij deze zin lijkt het of de situatie wordt vergeleken met een periode. Beter is het om hier een paar woordjes toe te voegen:

  • De situatie in dit studiejaar is te vergelijken met die van de afgelopen jaren.

 

Afkortingen

Juist gebruik van afkortingen in wetenschappelijk onderzoek

  • Afkortingen van organisaties of instanties worden eenmalig voluit tussen haakjes geschreven
  • Afkortingen als a.d.h.v of t.a.v. worden in onderzoek voluit geschreven.
  • Als de afkorting een naam betreft, gebruik je hoofdletters, bijvoorbeeld: CDA, CBS
  • Afkortingen in hoofdletters krijgen geen punt, bijvoorbeeld KLM, VS

Cijfers en Getallen

Getallen tot en met twintig en ronde getallen moeten voluit worden geschreven, de rest schrijf je in cijfers

 

Een tekst leest prettiger wanneer het alleen letters zijn. Dus:

  • Twee verslagen en één scriptie. En niet: 2 verslagen en 1 scriptie.

Wanneer een cijfer te hoog is, schrijf je het niet meer voluit, omdat het dan moeilijk te lezen is. Ook wanneer je cijfers met komma’s gebruikt, worden deze niet in woorden geschreven:

  • Studentnummer 301
  • 34,5 procent van de respondenten

Abstracte begrippen

Abstracte begrippen zoveel als mogelijk toelichten of er een synoniem voor in de plaats zetten dat wel een concreet woord is.

Termen als multiperspectiviteit, systematisch rehabilitatie gericht onderzoek, multidimensionale behandeling of directe instructiemodel vereisen toelichting/uitleg

Infodump

Bij informatiedump is er sprake van verschillende informatie achter elkaar. Zorg dat je niet van de hak op de tak springt. Neem de tijd om nieuwe informatie te introduceren

  • Amsterdam wordt tegenwoordig beschouwd als een multiculturele stad, maar dit is niet altijd zo geweest. Vanaf midden jaren negentig ging het er rond het integratiedebat steeds heftiger aan toe. In 2014 woonden er in Nederland bijna 2 miljoen niet-westerse allochtonen.

Er worden hier drie min of meer verschillende onderwerpen achter elkaar besproken. Daarmee belast je de lezer met informatie. Hergroepeer de informatie die bij elkaar hoort en doseer de informatie.

Onnodige informatie

Zorg dat je geen onnodige informatie geeft in je scriptie of verslag. Dit vertraagt het lezen en maakt een tekst langdradig en onsamenhangend

In een scriptie over de invloed van peilingen op politieke uitslagen in Vlaanderen, hoef je niet ook nog eens het verband daartussen in Nederland te beschrijven

Volledigheid van zinnen

In scripties moeten zinnen bestaan uit werkwoord en onderwerp. Daarnaast moet je je punt het liefst in zo weinig mogelijk bewoordingen maken.

Deze zinnen zijn onvolledig:

  • (Het bedrag van de) scriptiecorrectie bij Scriptium kan worden afgetrokken van de belasting.
  • Zij doen hun best te slagen voor hun master. Om hun ouders te plezieren. Voor een baan.

Woordgeslacht

Vrouwelijke, mannelijke en onzijdige woorden. Het-woorden zijn onzijdig, mannelijke en vrouwelijke woorden hebben allebei het lidwoord de.

Het is: 

  •  De overheid en haar beleid.
  •  De organisatie en haar doelen.
  •  Het bedrijf en zijn werknemers. 

Naar bedrijfsnamen verwijs je meestal met ‘het’ of ‘zijn’, niet met ‘zij’ of ‘haar’. Bijvoorbeeld:

  • Philips is een groot Nederlands bedrijf. Het heeft meer dan 100.000 werknemers in dienst.

Samengestelde woorden

Samengestelde woorden zijn woorden die uit twee of meer woorden bestaan. Wanneer een woord uit twee of meer zelfstandige naamwoorden bestaat, hoort hier geen spatie tussen.

  • Vijfsterrenhotel en niet: vijfsterren hotel
  • Scriptiebegeleiding en niet: scriptie begeleiding.

Bij eigennamen moet er een koppelteken staan, bijvoorbeeld Nelson Mandela-dag

Ook bij andere woorden wordt er soms een koppelteken gebruikt. 

  • Bij een afkorting: dvd-speler
  • Bij een cijfer: 20-jarig
  • Bij een symbool: $-teken
  • Klinkerbotsing: thema-ochtend

Wanneer de twee woorden allebei buitenlands zijn, komt er ook een koppelteken tussen:

  • All-risk en niet allrisk

Als één van de woorden een Nederlands woord is en het andere een buitenlands woord, dan wordt er geen koppelteken gebruikt:

  • Toiletreiniger en dus niet: toilet-reiniger.

Hoofdletters

Gebruik van hoofdletters. Na een punt gebruik je hoofdletters.  

Aan het begin van een zin gebruik je altijd een hoofdletter, behalve wanneer een zin met een cijfer of getal begint.

  • 39 doden bij zwaar busongeluk
  • 2,25% rente is niet spectaculair

 

Zinsconstructie

Maak je zinnen niet te lang. Voorkom ingewikkelde zinsconstructies en zet de zinsdelen op de juiste plek om de begrijpelijkheid en leesbaarheid te verhogen

Vermijd het gebruik van veel bijzinnen en tangconstructies zoals deze:

  • Terwijl we in de wachtkamer rustig op onze beurt zaten te wachten, werd er een door een dolle hond in zijn been gebeten leraar binnengebracht, die natuurlijk voor ging.

Deze zin kan korter gemaakt worden:

  • Terwijl we in de wachtkamer rustig op onze beurt zaten te wachten, werd een in zijn been gebeten leraar binnengebracht, die natuurlijk voor ging.

Tangconstructies kunnen voor een lezer moeilijk te ontrafelen zijn, doordat ze een groot beroep op zijn geheugen doen.

Interpunctie 

Juist gebruik van komma’s en consequent gebruik ervan. Gebruik van punt, komma, dubbele punt, puntkomma, aandachtstreepjes, haakjes, trema’s, koppelteken, etc.

  • Vermijd uitroeptekens in scripties/onderzoek
  • Gebruik geen dubbele punt in kopjes
  • Gebruik een dubbele punt om iets aan te kondigen
  • Na een dubbele punt volgt een kleine letter, behalve bij citaten of bij opsommingen van hele zinnen.
  • Plaats een puntkomma als een komma een te kleine en een punt een te grote scheiding is, bijvoorbeeld als twee zinnen nauw met elkaar verbonden zijn. 
  • In een opsomming kun je achter elk onderdeel een puntkomma zetten (behalve bij volledige zinnen). Achter het laatste onderdeel zet je dan een punt.

Voorbeeld:

Denk aan de volgende spullen:

  • rekenmachine;
  • handboek statistiek;
  • Pen en potlood.

Opsommingen 

Alle delen van opsommingen moeten logisch terugslaan op wat er voor staat

  • De zin die de opsomming inleidt, eindigt met een dubbele punt.
  • Bestaat de opsomming uit hele zinnen, dan begint elke zin met een hoofdletter en eindigt elke zin met een punt (of een vraagteken).
  • In een opsomming die uit losse woorden of uit delen van zinnen bestaat, begint elk onderdeel met een kleine letter en eindigt het met een puntkomma. Alleen het laatste onderdeel van de opsomming krijgt dan een punt.

Wij zetten de voordelen van het studentenleven op een rijtje:

  • Je kunt soms uitslapen.
  • Er is bier in overvloed.
  • Je kunt je scriptie bij Scriptium laten corrigeren. .

Voorzetsels 

Juist gebruik van voorzetsels. Voorzetsels drukken het verband tussen woordgroepen uit

Enkele veelvoorkomende voorzetsels in scripties:

  • Een beeld hebben van de oorzaken van het probleem
  • Inzicht krijgen in de knelpunten van het bedrijfsproces
  • De manager op de hoogte brengen van de ontwikkelingen
  • De APA-regels toepassen bij het schrijven van je scriptie 
  • De lestijden zo veel mogelijk laten aansluiten bij de wensen van de studenten 
  • De resultaten uit het onderzoek in overeenstemming brengen met eerdere studies 
  • De voorgestelde veranderingen laten aansluiten op de lesdoelen

Woordbetekenis 

Begrippen moeten de inhoud dekken. Vakjargon moet zoveel als mogelijk worden uitgelegd. Engelse termen in Nederlandse scriptie dienen pas gebruikt te worden als het niet anders kan.

Voorbeeld van een zin:

  • Op basis van deze definities wordt een eigen definitie samengevat

Het woord samengevat in deze zin dekt de inhoud niet en het is grammaticaal onjuist. Het zou zo kunnen worden opgeschreven:

  • Op basis van deze definities wordt een eigen definitie opgesteld

Enkelvoud/meervoud

Je dient consequent te zijn in het gebruik van enkelvoud en meervoud. Als je bijvoorbeeld enkelvoud gebruikt, moet je vervolgens niet in meervoud gaan schrijven.

Het is:

  • Zowel het verslag als de scriptie was te moeilijk om te begrijpen.

Als een van de delen meervoudig is, of als beide delen meervoudig zijn, is een meervoudige persoonsvorm juist:

  • Zowel het verslag als de scripties waren te moeilijk om te begrijpen.

Het meervoud wordt ook gebruikt als er sprake is van twee enkelvoudige onderwerpen die elk een verschillende persoonsvorm vereisen:

  • Zowel zij als ik vinden (niet: vindt/vind) het een erg goed reflectieverslag

Let erop dat bij onderstaande zin er sprake is van enkelvoud:

  • De werkgroep organiseert een studiemiddag waarin de theorie over gespreksvoering en gesprekstechnieken behandeld wordt.

Stijl

Objectief taalgebruik/neutrale toon. Vermijd de ik-vorm, je-vorm en we-vorm in je scriptie. Vermijd ook spreektaal. Zorg dat er geen stijlbreuken zijn in je scriptie; d.w.z. dat je het ene stuk in een bepaalde stijl schrijft, en een ander stuk in een andere stijl

Een zin als deze:

  • Ik denk dat er factoren zijn die er voor kunnen zorgen dat er meer signalen worden opgevangen. Tevens vind ik dat er meer gekeken kan worden naar hoe het gezin functioneert. 

kan in onderzoek beter zonder de ik-vorm geschreven worden, ten behoeve van de objectiviteit/objectieve toon:

  • Er zijn factoren die er voor kunnen zorgen dat er meer signalen worden opgevangen. Er zou ook meer gekeken kunnen worden naar hoe het gezin functioneert.

Begrijpelijkheid

Lange zinnen, het gebruik van veel bijzinnen en te veel gebruik maken van passieve zinnen in plaats van actieve zinnen bemoeilijken het lezen van een scriptie of verslag. Ook formeel taalgebruik/archaïsch taalgebruik en niet to he point komen verlagen de leesbaarheid.

Een veelgemaakte fout bij formele teksten is de volgende:

  • Het plan van aanpak, welke door de student werd opgesteld (welke moet dat zijn)

Herhaling

Herhaling komt vaak voor in scripties. Het zorgt voor langdradigheid en verlaagt de kwaliteit van de scriptie. Er dient ook variatie in de zinnen te zijn qua inhoud en vorm (bijvoorbeeld langere zinnen afwisselen met korte zinnen).

In deze zin is sprake van een herhaling:

  • Ik omschrijf mijzelf als iemand die goed kan samenwerken. Ik kan goed samenwerken en hou bij de groepsopdracht rekening met mijn groepsleden.

Beter is het om de herhaling weg te halen:

  • Ik omschrijf mijzelf als iemand die goed kan samenwerken. Ik hou bij de groepsopdracht rekening met mijn groepsleden.

Volledigheid

Geef je voldoende informatie wanneer dat nodig is? Specificeer je de zinnen en informatie, zodat de lezer niet met onnodige vragen zit?

Een zin als deze behoeft meer uitleg over:

  • Uit dit onderzoek is gebleken dat leerlingen van het praktijkonderwijs de meeste resultaten boekten

Wat voor resultaten? Schoolresultaten? Resultaten bij een bepaald vak?

Structuur

Zorg voor de juiste opbouw van paragrafen. Hiernaast is een gangbare indeling van een scriptie aangegeven. Afhankelijk van het onderwerp van de scriptie en/of leidraad vanuit de onderwijsinstelling kan hiervan worden afgeweken.

  • Voorblad en titelpagina, met titel (en eventueel ondertitel), voornaam + achternaam van de auteur, universiteit, faculteit en sectie, de aanduiding ‘Bachelorscriptie’ of ‘Masterscriptie’, inleverdatum en de naam van scriptiebegeleider(s)
  • Inhoudsopgave
  • Voorwoord
  • Samenvatting scriptie
  • Inleiding met daarin beschrijving onderwerp, context, aanleiding, probleemstelling, doel, hoofdvragen, eventueel deelvragen en leeswijzer
  • Beschrijving van de gebruikte onderzoeksmethode(n)/werkwijze
  • Beschrijving van gebruikte theorie en uitleg ervan
  • Uiteenzetting van de onderzoeksresultaten en analyse
  • Conclusie en/of aanbevelingen; eventueel discussie
  • Literatuurlijst en literatuurverwijzingen
  • Bijlagen

Layout

Bij de layout van je tekst gaat het onder andere om schuingedrukte zinnen, dikgedrukte zinnen, onderstreepte zinnen, tekstkleur, lettergrootte, etc. Er zal een opmerking geplaatst worden als de corrector van mening is dat de opmaak van je scriptie slordig of onjuist is

  • De tekstkleur dient overal zwart te zijn
  • Gebruik consequent dezelfde lettergrootte
  • Vermijd het onderstrepen van zinnen of woorden
  • Neem niet zomaar dik gedrukte woorden of schuingedrukte woorden en zinnen in de tekst op
  • Voorkom het gebruik van trema’s en uitroeptekens
  • Hou de titels kort en formuleer ze bij voorkeur niet in vraagvorm 
  • Gebruik niet onnodig veel alinea’s; zet zinnen die inhoudelijk bij elkaar horen in dezelfde alinea
  • Nummer de pagina’s
  • Nummer de bijlagen en verwijs naar genummerde bijlagen
  • Geef figuren, schema’s en tabellen een titel

 

Bronnen

De bronnencheck is bij Scriptium een aparte service, zie bij veel gestelde vragen, punt 16

APA is de meest gebruikte referentiestijl bij Hogescholen en universiteiten. Kijk bij onze scriptietips voor meer informatie

 

 

Meteen nakijken

vlag gb scriptium 1 Nederlands•Engels