Top 100 scriptiefouten

 
De scripties die bij Scriptium worden ingeleverd bevatten gemiddeld ongeveer 1400 fouten (40 fouten per pagina). Veel studenten wier scriptie is afgekeurd weten niet precies welke fouten ze in hun scriptie maken. Vanuit de begeleiding van hun onderwijsinstelling wordt er vaak te weinig specifieke feedback gegeven over de spellingfouten, taalfouten en inhoudelijke missers in hun scriptie. Hieronder wordt door Scriptium de top 100 lijst met veelgemaakte fouten weergegeven. Deze lijst is samengesteld op basis van de fouten die onze correctoren zijn tegengekomen bij het uitvoeren van de scriptiehulp en correctie. Het kan handig zijn om je eigen scriptie aan de hand van deze lijst door te nemen en na te kijken.

1Verleden en tegenwoordige tijd worden door elkaar gebruikt, soms in twee opeenvolgende zinnen. Dit is één van de meest gemaakte fouten in scripties. Voorbeeld:

Bij deze zin moet ‘werden’ staan in plaats van ‘worden’

2De algemene opbouw of structuur van de scriptie is niet in orde. De bespreking van de hoofdvraag of deelvragen staat bijvoorbeeld achter het hoofdstuk waarin de theorie wordt behandeld, of de resultaten worden al in het theoriehoofdstuk besproken. De gangbare opbouw van een scriptie is:

  1. inleiding
  2. onderzoeksvragen
  3. methode
  4. theorie
  5. resultaten
  6. analyse
  7. conclusies en aanbevelingen.
Zorg dat de structuur of opbouw van je scriptie in orde is, want het is één van de redenen dat een scriptie wordt afgekeurd.

3Onderwerpen die in de leeswijzer staan worden in de loop van de scriptie niet besproken. Ook kan het zijn dat bepaalde deelvragen zijn opgenomen, die niet in het onderzoek beantwoord worden. Alle onderdelen die in de leeswijzer worden besproken, dienen terug te komen in de scriptie. Alle deelvragen die in het begin worden opgeworpen, dienen uiteindelijk beantwoord te worden.

4De scriptie bevat weinig of geen structuur. Het bestaat uit losse onderdelen waarbij het verband tussen de delen niet duidelijk is. Een scriptie dient een logische structuur te hebben met begin, middenstuk en sluitstuk. Bij een goed onderzoek zijn de onderzoeksresultaten, analyses en conclusie ook systematisch tot stand gekomen, dat wil zeggen op basis van inductie en/of deductie.

5Er ontbreken bepaalde (belangrijke) onderdelen. De gekozen onderzoeksmethode wordt bijvoorbeeld niet besproken of er mist een gedeelte waarin modellen/theorieën worden behandeld. Ook komt het vaak voor dat er een leeswijzer aan het slot van de inleiding ontbreekt, waarin kort wordt aangegeven hoe de scriptie is opgebouwd.

6De conclusie is meer een samenvatting dan een analyse. De conclusie mag geen samenvatting zijn van wat je al hebt geschreven/onderzocht. In de conclusie worden verbanden getrokken. Er wordt middels een analyse inzicht verschaft in het verband tussen het probleem en de onderzoeksresultaten.

7In de conclusie staan letterlijke herhalingen van stukken tekst uit het onderzoek. Dit is nauw verbonden met het vorige punt. Zorg ervoor dat je dezelfde stukken tekst niet meerdere malen in je scriptie gebruikt. Geen dubbele informatie of herhaling dus.

8De conclusie is te summier. Er wordt te weinig de diepte in gegaan bij de analyse van de onderzoeksresultaten. Zorg ervoor dat de conclusie iets toevoegt aan het onderzoek, door het probleem vanuit meerdere invalshoeken te belichten en een oplossing voor het probleem te geven.

9De conclusie sluit niet aan op hetgeen onderzocht is. Het doel van een conclusiehoofdstuk is om een analyse te maken die betrekking heeft op hetgeen is onderzocht. Dat betekent dus ook dat er geen onderzoeksresultaten in de conclusie moeten worden besproken die niet eerder in het resultatenhoofdstuk aan bod zijn gekomen.

10Er is een gebrek aan nuance in de conclusie. Het is de taak van een wetenschapper/onderzoeker om een probleem, als dat nodig is, vanuit verschillende invalshoeken te bekijken. Hij/zij dient voorzichtig te zijn met het trekken van conclusies en rekening te houden met verschillende perspectieven, vooral als het gaat om een gevoelig of complex onderwerp. Een voorbeeld van een gevoelig onderwerp dat nuance behoeft is een onderwerp waarbij de vraag centraal staat of de veiligheidsdienst meer bevoegdheden dient te krijgen ten behoeve van de nationale veiligheid, en daarbij inbreuk moet kunnen maken op het recht op privacy.

11De behandelde modellen in het theoriegedeelte hebben geen of weinig betrekking op de onderzoeksvraag. Theorieën of modellen dienen terug te slaan op datgene wat je wil onderzoeken en waar je antwoord op wil krijgen.

12De onderzoeksvraag van je scriptie bestaat niet uit één centraal thema, maar uit twee thema’s of twee vragen met verschillende thema’s. Je probleemstelling of onderzoeksvraag moet precies datgene beschrijven wat je onderzoekt. Het mag maar één centraal thema bevatten. Verkeerde hoofdvraag:

Juiste hoofdvraag:
Er kan dan eventueel als deelvraag worden opgenomen:

13De hoofdvraag of deelvraag is een gesloten vraag. Een hoofdvraag dient een open vraag te zijn: een vraag die begint met een vraagwoord zoals wie, wat, welke, waarom, waarmee of hoe. De vraag mag dus niet met ja of nee worden beantwoord (gesloten vraag). Het antwoord (ja of nee) wordt immers bijna altijd direct gevolgd door een open vraag als welke? of waarom? Een voorbeeld van een gesloten vraag:

Een vraag als deze kan beter zo worden geformuleerd:

14De onderzoeksvraag is op een dusdanige wijze opgesteld dat het onderzoek een te beschrijvend onderzoek zal worden. Bijvoorbeeld:

Veel valt er met zo’n vraag niet te onderzoeken. Zodra het aantal is bepaald, is er antwoord gegeven op de onderzoeksvraag. Er hoeft ook geen analyse plaats te vinden. Het is daarom beter om van de hoofdvraag een hoe-of waarom vraag te maken, zodat er verbanden en effecten te onderzoeken zijn. Bijvoorbeeld:

15De onderzoeksvraag is te vaag geformuleerd. Een onderzoeksvraag dient concreet en begrijpelijk te worden geformuleerd. Dat betekent dus ook dat de termen van de onderzoeksvraag geoperationaliseerd (meetbaar) moeten zijn. Voorkom dat je later in je scriptie in de problemen komt (en dat je scriptie wordt afgekeurd) door een goede hoofdvraag op te stellen. Een voorbeeld van een onduidelijke, slecht geoperationaliseerde hoofdvraag:

De begrippen roepen veel vragen op, wat duidt op onduidelijkheid. Een voorbeeld van een goede, duidelijke hoofdvraag:

16Er wordt gebruikgemaakt van de ik-vorm als vertelperspectief. Het is bij formele teksten zoals een afstudeerrapport of academisch verslag ongebruikelijk om in de ik-vorm te schrijven. Het onderzoek dient geen persoonlijk verslag te zijn en zinnen te bevatten als: ’’Toen heb ik…’’, ‘’Ik heb de leiding gezegd dat…’’. Daarom is het beter om het ik-perspectief niet te gebruiken. Je kunt het vermijden door ‘ik’ te vervangen door ‘de onderzoeker’ of door er een passieve zinsvom van te maken. Schrijf dus niet:

Schrijf liever:
Of nog beter:

17De thesis bevat inhoudelijke tegenstrijdigheden. Er staat bijvoorbeeld eerst dat het aantal respondenten vijftig was, en een paar pagina’s later blijken dat er plots 75 te zijn. Of er staat eerst beschreven dat de oorzaak van slechte samenwerking te maken heeft met het ontbreken van een eenduidig communicatiebeleid, en vervolgens dat dit te maken heeft met een verkeerde toepassing van een (bestaand) communicatiebeleid. Zorg dat je verhaal consistent is en dat je de lezer kunt overtuigen met logische en niet-tegenstrijdige argumenten.

18Er worden meningen geuit, als ‘’volgens mij…’’, ‘’in mijn optiek’’, ‘’zoals ik er tegenaan kijk’’. Hou je eigen stem uit het onderzoek, neem afstand en uit geen meningen (tenzij er vanuit je onderwijsinstelling is aangegeven dat het toegestaan is). In een reflectieverslag kun je wel je mening uiten.

19Er wordt met ‘haar’ of ‘zij’ naar het onderzochte bedrijf verwezen. Er dient met ‘het’ of ‘zijn’ naar het bedrijf te worden verwezen of met de naam van het bedrijf zelf. Bijvoorbeeld:

20Lage getallen, zoals 1,7 of 19, staan in cijfers geschreven. Getallen tot en met twintig en ronde getallen als vijftig, honderd of duizend, dienen bij onderzoek in woorden te worden opgeschreven. Getallen boven de twintig en niet-ronde getallen, worden in cijfers geschreven. Uitzondering op de algemene regel zijn jaartallen en de cijfers en getallen in de methode- en resultatensectie van je verslag, scriptie of afstudeerrapport. Hierin komen vaak percentages (33,7%) of exacte cijfers (2,31) voor die je wel gewoon in cijfers schrijft.

21Afkortingen staan niet uitgeschreven. Afkortingen als t.w.v. (ter waarde van), etc. (etcetera), o.a. (onder andere), m.b.t. (met betrekking tot) of t.b.v. (ten behoeve van) dienen voluit opgeschreven te worden in onderzoek.

22De bronnen staan op de verkeerde plek in de zin. Bijvoorbeeld:

In dit geval is er sprake van een organisatie en dient de bron dus achteraan de zin geplaatst te worden:
Als de auteur in de tekst wordt genoemd, dan hoort de bron wel achter de auteur gezet te worden:

23Er worden dikgedrukte woorden, onderstreepte woorden of schuingedrukte woorden in de tekst gebruikt om het belang van woorden of zinnen te benadrukken. In een scriptie horen woorden of zinnen echter niet onderstreept te worden of dikgedrukt te staan (op de titels van paragrafen en hoofdstukken na). Buitenlandse woorden (Engelse woorden) dienen daarentegen wel schuingedrukt te staan.

24Er is bij subparagrafen te ver doorgenummerd . Markeer hooguit door tot aan het derde niveau, maar het liefst tot het tweede niveau, dus 2.1.1 en 2.1.2

25Er is sprake van een stijlfout zoals een pleonasme of tautologie. Bij een pleonasme wordt een eigenschap die al onlosmakelijk aan een begrip verbonden is ook benoemd door een ander woord, bijvoorbeeld ‘visueel beeld’. Bij een tautologie wordt hetzelfde begrip tweemaal genoemd, bijvoorbeeld: er is toestemming gegeven dat te mogen doen of het zou mogelijk kunnen dat zij scriptiehulp moet inschakelen.

26De hypothesen in de scriptie vloeien niet voort uit de deelvragen van het onderzoek. Hypothesen dienen op de deelvragen aan te sluiten. Als dat niet het geval is, bestaat de kans dat er in het onderzoek twee verschillende zaken worden onderzocht.

27Er worden verschillende lettertypes en/of lettergroottes gebruikt. Het staat slordig als de tekst in je thesis, onderzoeksvoorstel of plan van aanpak uit verschillende lettertypes en/of lettergroottes bestaat. Hanteer één lettertype. Voor scripties worden vaak duidelijke en zakelijke lettertypes als Times New Roman, Calibri of Arial met lettergrootte 10 of 11 gebruikt. Er wordt doorgaans een regelafstand van 1,15 of 1,5 gehanteerd.

28Verkeerd gebruik van lidwoorden. Zorg dat je de juiste lidwoorden gebruikt. De wordt gebruikt bij mannelijke en vrouwelijke woorden en bij meervouden, het bij onzijdige woorden in het enkelvoud: de begeleiding, de hulp, de scriptie, de essay, het woord, het verslag. Een veelgemaakte fout bij lidwoorden is het verkeerd gebruik van lidwoorden bij een opsomming. Voorbeeld van een foute zin:

Bij deze zin ontbreken de juiste lidwoorden voor de zelfstandig naamwoorden. De zin hoort op deze wijze te worden geschreven:

29De pagina’s zijn niet genummerd of verkeerd genummerd. Let erop dat de pagina’s op de juiste wijze genummerd zijn. De paginanummers staan meestal rechtsonder. Het titelblad wordt niet genummerd.

30Het onderzoek is niet representatief omdat er te weinig respondenten zijn opgenomen. Gebruik de steekproefcalculator om het benodigde aantal respondenten te berekenen. Natuurlijk is het zo dat een scriptieonderzoek door tijd- en geldgebrek niet altijd representatief kan zijn. Geef dit aan bij de discussie van je onderzoek aan het slot of in het methodehoofdstuk. Bij een kwalitatief onderzoek zijn de resultaten niet statistisch representatief, maar geven ze hooguit een indicatie van wat er onder de doelgroep leeft.

31De gebruikte theorieën worden niet of nauwelijks toegelicht/besproken. Het is nodig om een korte uitleg te geven bij de door jou opgenomen theorieën en modellen, zodat de lezer begrijpt waar het over gaat. Ook is het goed om te verantwoorden waarom je juist deze theorieën binnen je onderzoek gebruikt.

32Er worden te veel theorieën en/of modellen gebruikt. Hou je scriptie of thesis begrijpelijk en overzichtelijk en hou het bij enkele (voor je onderzoek belangrijke) theorieën.

33Er zijn te veel deelvragen opgenomen. Zorg ervoor dat het aantal deelvragen te overzien is. Drie à vier deelvragen zijn meestal voldoende om het onderzoek te dekken.

34Er worden promotieteksten of -zinnen in de scriptie gebruikt. Het komt bijvoorbeeld weleens voor dat er bij de beschrijving van de organisatie of het bedrijf teksten staan die meer op promotie lijken dan dat ze objectieve, neutrale beschrijvingen zijn. Voorbeeld:

Let erop dat de vertelwijze neutraal, objectief en formeel dient te zijn.

35Het alineagebruik is onjuist. Er worden bijvoorbeeld veel onnodige alinea’s gebruikt, waardoor er overal losse zinnen staan, of er wordt geen alinea gebruikt daar waar het wel nodig is. Bij de overgang naar een nieuw (sub)onderwerp dient er een alinea gebruikt te worden.

36Het onderzoek/de onderzoeksvraag is niet afgebakend. Baken je onderwerp en onderzoeksvraag af om het jezelf bij het onderzoeken makkelijk te maken, en om het voor de lezer overzichtelijk te houden. Bijvoorbeeld: als je het effect van duurzaamheid op de financiële prestaties van bedrijven wil onderzoeken, kun je je onderzoek demografisch afbakenen door alleen bedrijven in Vlaanderen of Nederland te onderzoeken, of je kunt je onderzoek beperken tot enkel bouwbedrijven.

37Er wordt veelvuldig dezelfde bron gebruikt. Zorg dat je varieert in je bronnen (verschillende bronnen gebruiken), zodat je onderzoek meer wetenschappelijk fundament krijgt.

38Schema’s, figuren en tabellen hebben geen titel. Figuren en tabellen dienen genummerd te worden, een titel te hebben, en ze dienen een bronverwijzing te krijgen.

39Er is geen scherp onderscheid gemaakt tussen de resultaten en analyse. Probeer de bespreking van de resultaten en de analyses daarvan niet door elkaar te laten lopen. De beste manier om dit te doen is door eerst de resultaten te presenteren, zonder interpretatie daarvan, en vervolgens de resultaten te analyseren en er conclusies uit te trekken.

40De validiteit en/of betrouwbaarheid worden niet besproken of verkeerd geïnterpreteerd. Betrouwbaarheid en validiteit zijn twee begrippen die nog weleens door elkaar worden gehaald. Betrouwbaarheid is de mate waarin een meting onafhankelijk is van toeval. De validiteit daarentegen is de mate waarin een test meet wat het zou moeten meten. Validiteit en betrouwbaarheid worden in het volgende tekstfragment door elkaar gehaald:

Er wordt hier juist gewezen op een fout in de validiteit. In het fragment wordt namelijk geopperd dat de iq-score niet meet wat het zou moeten meten, namelijk de intelligentie van mensen.

41Er wordt te veel verschillende informatie achter elkaar gegeven. Hou er rekening mee dat mensen een beperkte capaciteit hebben om informatie te verwerken. Als er snel te veel informatie wordt gegeven, gaat dat vaak ten koste van de begrijpelijkheid van een tekst. Zorg dus dat er geen abrupte overgang naar nieuwe informatie is; dat je informatie dus doseert en op een juiste wijze inleidt.

42Er worden uitroeptekens achter zinnen gezet. Het is bij een scriptie de bedoeling dat de teksten formeel en op een wetenschappelijke wijze worden geschreven. Uitroeptekens geven een (emotionele) lading mee aan zinnen (subjectiviteit). Ze horen dus niet in onderzoek te worden gebruikt, hooguit bij interviewfragmenten of in een voorwoord.

43Er wordt aan het begin van de scriptie of thesis niet goed uitgelegd waar het onderzoek over gaat of zal gaan. Het begin van het onderzoek is erg belangrijk. Het onderwerp en de context van de scriptie dienen zo snel mogelijk duidelijk te worden gemaakt aan de lezer. Hij of zij mag zichzelf geen onnodige vragen stellen als: ‘hoe zit het nu precies?’ of ‘waar gaat het onderzoek eigenlijk over?’

44Er worden (zeer) lange zinnen gebruikt. Bij lange zinnen loop je het risico dat zinnen ontsporenLange zinnen bemoeilijken ook vaak het lezen van een tekst. Bijvoorbeeld:

Deze zin kan in verschillende zinnen worden opgebroken om het leesgemak en de begrijpelijkheid te verhogen:

45Er worden dubbele spaties gebruikt of er zijn grote witruimtes tussen alinea’s. Let erop dat er hooguit één spatie tussen woorden of zinnen zit.

46Veel scripties die zijn afgekeurd bevatten onlogische zinsverbanden/taalkundig onjuiste zinsverbanden. Dit is een van de meest gemaakte fouten in een scriptie. Ten behoeve van de logica en dus begrijpelijkheid van een tekst is het zeer belangrijk dat zinnen op een juiste wijze met elkaar worden verbonden. Dit kan mede door gebruik te maken van de juiste verbindingswoorden en voegwoorden als ‘maar’, ‘ook’, ‘echter’, ‘terwijl’, ‘omdat’, ‘hoewel’, etcetera. Een voorbeeld van een vals/fout verband:

Een ander voorbeeld:

47Er is sprake van een verkeerde zinsbouw (een vaak voorkomende fout bij scripties die zijn afgekeurd). De zinsbouw van een tekst dient juist te zijn. De plaats waar woorden en zinsdelen staan is zeer belangrijk voor de leesbaarheid van een tekst. Enkele voorbeelden:

Bij deze zin kan ‘met een dagvaarding werden ingeleid’ beter voor de haakjes staan, ten behoeve van de leesbaarheid:
Ander voorbeeld:
Deze zin kan beter zo geschreven worden:
Nog een voorbeeld:
Door de volgorde te veranderen leest de zin makkelijker:

48Foutief gebruik van de woorden ‘wat’, ‘dat’ en ‘waarom’. Voorbeeldzin:

Deze zin moet zijn:

49Ontbrekende woorden/onvolledige zinnen. Niets leest zo vervelend als teksten waarin woorden ontbreken of zinnen niet volledig zijn. Een voorbeeld:

In bovenstaande zin ontbreekt het woordje ‘wat’ tussen ‘van’ en ‘klanten’.

50Abstracte termen, moeilijke woorden of vakjargon worden niet uitgelegd. Als er voor het onderzoek belangrijke wetenschappelijke of abstracte termen worden gebruikt, dient ter verduidelijking ervan de definitie te worden gegeven of een toelichting daarop.

51De enquêtevragen/interviewvragen zijn suggestief geformuleerd. Enquête- en interviewvragen dienen neutraal geformuleerd te worden om bias te voorkomen. Een voorbeeld:

Deze vraag kan beter op deze manier worden opgeschreven:

52Incongruentie: er is geen overeenkomst in getal tussen onderwerp en persoonsvorm. Onderwerp en persoonsvorm moeten beide of enkelvoud of meervoud zijn. Voorbeelden:

Dit moet zijn:
Een ander voorbeeld:
Moet zijn:

53Onderwerp en werkwoord komen niet overeen. In een zin moeten onderwerp en persoonsvorm met elkaar overeen komen. Als het onderwerp meervoud is, dient het werkwoord ook in meervoud te staan. Bijvoorbeeld:

54De titel van een paragraaf slaat niet of nauwelijks terug op de inhoud van de paragraaf. Titels dienen de lading te dekken, en dat geldt ook voor de titel van het onderzoek/de scriptie.

55De titels van de paragrafen en hoofdstukken zijn te lang. Maak de titels niet al te lang.

56De doelgroep van het onderzoek wordt niet of onvoldoende beschreven. Belangrijke vragen die beantwoord dienen te worden: wat is de doelgroep? Wat zijn de selectiecriteria? Hoe groot is de steekproef?

57Er wordt spreektaal/jip-en-janneketaal gebruikt. Je thesis dient in een wetenschappelijke, formele toon geschreven te zijn. Een zin als deze past niet bij een wetenschappelijke tekst:

Dit kan beter zo worden geschreven:

58Er wordt een hoofdletter na een dubbele punt gebruikt. Na een dubbele punt gebruik je geen hoofdletter. Er zijn echter drie uitzonderingen. Wanneer het woord al met een hoofdletter geschreven wordt, zoals een naam. Voorbeeld:

Als er een citaat volgt na de dubbele punt. In dit geval volgen er dubbele aanhalingstekens na de dubbele punt en begin je het eerste woord met een hoofdletter. Voorbeeld:
In andere gevallen schrijf je dus geen hoofdletter na een dubbele punt. Voorbeeld:
Wanneer er sprake is van een opsomming gebruik je ook hoofdletters.

59Er wordt een punt voor de bron gezet. Een punt wordt pas na de bron gezet. Het is dus niet:

Het is:

60Er worden veel zinnen in vraagvorm gezet. Voorbeeld:

Probeer te vermijden dat je zoveel vragen achter elkaar stelt, omdat de lezer dit moeilijk kan bijhouden.

61Er staan telkens veel woorden en zinnen tussen haakjes. Zorg dat je niet voortdurend woorden en zinnen tussen haakjes zet, omdat dit het lezen bemoeilijkt.

62Er staan (te) veel bronverwijzingen achter elkaar. Vermijd overmatige bronverwijzing om het leesgemak te vergroten. Voorbeeld van overmatige bronverwijzing:

63De gebruikte theorieën in de scriptie zijn te algemeen. In een scriptie die tot doel heeft een praktische oplossing te bieden voor een communicatieprobleem op de werkvloer, hoeven er niet allerlei sociologische stromingen te worden behandeld (van waaruit de communicatietheorie is ontstaan).

64De aanbevelingen aan het slot zijn niet bondig geformuleerd, navolgbaar en actiegericht. De gegeven aanbevelingen dienen toepasbaar en concreet te zijn.

65(Sommige) titels worden in vragende zin geschreven. De titels behoren in de meeste gevallen geen vraagteken te bevatten.

66De puntkomma’s en dubbele punt worden verkeerd gebruikt. Het volgende tekstfragment wordt zonder punt of puntkomma’s geschreven:

De scriptiehulp van Scriptium houdt het volgende in:
Incorrect: met puntkomma’s en punt. De scriptiehulp van Scriptium houdt het volgende in:

67Er wordt niet verwezen naar genummerde bijlagen. Zorg dat je je bijlagen nummert en vergeet niet ernaar te verwijzen als dat moet.

68De zin is niet specifiek genoeg. Soms dient er extra informatie gegeven te worden om een zin of een stuk tekst begrijpelijk en compleet te maken.

69Het verkeerd en inconsequent opschrijven van citaten en quotes. Bijvoorbeeld citaten die dan weer schuingedrukt, dan weer niet schuingedrukt staan, of citaten die niet tussen aanhalingstekens staan. Hou een uniforme stijl aan en zorg dat quotes tussen (dubbele) aanhalingstekens staan.

70Er worden te veel afkortingen gebruikt. Beperk het gebruik van afkortingen en zorg dat je de gebruikte afkortingen eenmalig tussen haakjes voluit schrijft. Bijvoorbeeld:

71Er wordt aan het begin van de scriptie of thesis niet genoemd voor wie het onderzoek plaatsvond/in opdracht van welk bedrijf. Zorg dat je aangeeft voor welke instelling of opdrachtgever je het onderzoek uitvoert (als die er is).

72Taalfouten. Zorg dat je scriptie zo min mogelijk taalfouten bevat. Een voorbeeld van een taalfout:

Spelfouten: een wetenschappelijke tekst dient geen of zo min mogelijk spelfouten te bevatten. Een veelvoorkomende spelfout:

73Het overmatig gebruik van vakjargon. Probeer vakjargon zoveel mogelijk te vermijden en in plaats daarvan concrete, begrijpelijke termen te gebruiken.

74Er worden subjectieve woorden gebruikt als ‘verrassend’, ‘interessant’, ’leuk’, ‘enorm’, ‘goede’ of ‘mooie’. Probeer op een formele en afstandelijk wijze te schrijven en laat je eigen ‘stem’ niet horen.

75De hypotheses worden niet verantwoord. Als er hypotheses worden opgesteld, dienen ze verantwoord te worden door een logische redenering of door eerder onderzoek/bronnen

76Er wordt twee keer of meerdere keren achter elkaar hetzelfde woord gebruikt. Deze fout komt erg vaak voor in scripties. Bijvoorbeeld:

Twee keer ‘aan de hand van’ staat stilistisch niet mooi en leest niet fijn.

77Er worden onofficiële of niet-wetenschappelijke bronnen gebruikt, zoals Wikipedia of commerciële marketingsites. Het is in onderzoek meestal niet toegestaan om dit soort bronnen te gebruiken. De bronnen dienen uit wetenschappelijke artikelen, tijdschriften of boeken te komen.

78Er worden verschillende letterkleuren gebruikt. Gebruik overal een zwarte kleur. Hooguit kunnen titels van hoofdstukken in een (licht)blauwe kleur geschreven worden, en de rest in een zwarte kleur.

79Er wordt wetenschappelijke informatie gegeven waar geen bron bij staat, doch waar wel een bron bij had moeten staan. Het omgekeerde vindt soms ook plaats: er wordt een bron gebruikt terwijl dat niet nodig is. Bijvoorbeeld:

Achter zo’n zin hoeft geen bron. Het is algemeen bekend dat stress dit tot gevolg kan hebben.

80De scriptie is te lang. Vanuit de onderwijsinstellingen worden meestal richtlijnen gegeven over de maximale lengte van je scriptie. Aan die maximale lengte dien je je te houden. Op deze pagina van Scriptium kun je lezen wat je kunt doen als je scriptie te lang is.

81Er wordt onnodige informatie gegeven. Onnodige informatie maakt een scriptie langdradig en voegt niets toe aan het onderwerp.

82De bronnen zijn gedateerd. Er wordt bijvoorbeeld verwezen naar onderzoek van begin 2000 over het effect van onlinemarketing op de bedrijfsomzet.

83Er wordt onnodig gebruikgemaakt van passieve zinnen. Passieve zinnen zijn te herkennen aan de hulpwerkwoorden ‘zijn’ en worden’. Soms zijn passieve zinnen in een scriptie nodig, maar vaak zijn ze hinderlijk en verlagen ze het leesgemak. Bijvoorbeeld:

Deze zin kan eenvoudig anders worden geschreven. Er kan een actieve zin van worden gemaakt:
Een ander voorbeeld:
De zin kan op deze manier worden opgesteld:

84Zaken worden als feiten gepresenteerd terwijl het slechts om persoonlijke observatie/ervaring ging. Voorbeeld:

85De deelvragen en/of onderzoeksvraag worden niet beantwoord. Zorg ervoor dat alle onderzoeksvragen aan het slot van je scriptie worden beantwoord, of in de gedeelten van je scriptie die gaan over de betreffende onderzoeksvragen.

86De interviews zijn letterlijk uitgetypt, inclusief de spel-en taalfouten. Hoewel er bij het opschrijven van de interviews meer speelruimte is betreft taal (spreektaal is bijvoorbeeld wel toegestaan in de interviews), dienen ook de interviews zo min mogelijk taalfouten te bevatten en moeten ze leesbaar zijn.

87De modellen worden niet goed gehanteerd, bijvoorbeeld wanneer de swot-analyse en confrontatiematrix verkeerd zijn opgesteld. De kansen en bedreigingen overlappen elkaar, of ze overlappen de zwaktes en sterktes. Kansen, sterktes, zwakten en bedreigingen mogen elkaar wat betreft de inhoud niet overlappen (over hetzelfde gaan), anders ontstaan er problemen bij het opstellen van de confrontatiematrix.

88Er worden te veel vragen opgeworpen, te veel verschillende onderwerpen besproken of het probleem wordt vanuit te veel invalshoeken belicht. Hou één rode draad aan in je onderzoek, sla niet allerlei zijwegen in.

89Teksten worden letterlijk overgenomen van wetenschappelijke boeken of andere bronnen, zonder bronverwijzing. Hou rekening met de maximale plagiaatscore van je onderwijsinstelling.

90Er is sprake van een stijlbreuk. Het ene stukje tekst is in een andere stijl geschreven dan het andere, bijvoorbeeld als er in een hoofdstuk veel moeilijke woorden en complexe, lange zinnen staan, en in een ander hoofdstuk juist korte zinnen met simpel taalgebruik. Zorg voor een uniforme stijl en wissel ook niet van vertelperspectief.

91De zin is langer dan hij zou moeten/kunnen zijn. Voorbeeld:

De zin kan beter zo worden geschreven:

92Er wordt te lang stilgestaan bij een onderwerp, begrip of deel van een tekst, bijvoorbeeld door zaken die eerder zijn gezegd in andere bewoordingen te schrijven. Voorkom dat je scriptie langdradig wordt en kom to the point.

93Het onnodig gebruiken van het woord ‘ook’ in zinnen (een van de meest voorkomende fouten). Bijvoorbeeld:

Het woord ‘daarnaast’ maakt hier het gebruik van het woord ‘ook’ overbodig. Ander voorbeeld:
Ook hier is het woord ‘ook’ overbodig

94Er worden onnodige trema’s gebruikt, zoals ‘vóór’ of ‘ná’. Vermijd het gebruik van trema’s in onderzoek, tenzij het taalkundig vereist is, zoals bij het woord ‘comité’.

95Het gebruik van woorden als ‘mogelijk’, ‘misschien’, ‘wellicht’, ’waarschijnlijk’. Bijvoorbeeld:

Dit staat niet wetenschappelijk en daarom dient het gebruik van dit soort woorden zoveel als mogelijk vermeden te worden.

96Samengestelde woorden staan los van elkaar geschreven. De Nederlandse taal is een taal waarin woorden zoveel mogelijk aan elkaar worden geschreven. Een samenstelling met een buitenlands woord en een Nederlands woord schrijf je aan elkaar. Bijvoorbeeld:

Een samenstelling van twee Engelse woorden schrijf je los van elkaar. Een samenstelling die bestaat uit een woord en een afkorting, schrijf je met een verbindingsteken (streepje) ertussen. Voorbeeld:

97Informatie komt uit de lucht vallen. Vaak wordt er geschreven zonder rekening te houden met het feit dat de lezer niet bekend is met het onderwerp. Hou er rekening mee dat de lezer jouw scriptieonderwerp niet kent. Lees meer over hoe je in je taalgebruik rekening houdt met ‘de lezer’ op deze pagina van Scriptium.

98De deelvragen overlappen met elkaar of met de onderzoeksvraag. Een deelvraag mag niet deels of volledig dezelfde soort vraag zijn als de onderzoeksvraag of een andere deelvraag. Een voorbeeld van een deelvraag die met de hoofdvraag overlapt:

Er wordt hier min of meer dezelfde vraag gesteld. De deelvraag kan opgesplitst worden in twee deelvragen die de hoofdvraag wél aanvullen:

99De lezer wordt rechtstreeks aangesproken. Bijvoorbeeld:

Voor bijna alle wetenschappelijke teksten geldt dat je de lezer niet rechtstreeks dient aan te spreken. Noch met ‘u’ noch met ‘je’.

100Er worden wetenschappelijke termen door elkaar gehaald. Bijvoorbeeld: het gebruik van interviews wordt aangeduid als onderzoeksmethode, terwijl het hier om een onderzoeksinstrument gaat, of een theoretisch model wordt als onderzoeksmethode aangemerkt, terwijl het een onderzoeksmodel betreft.

De eisen ten aanzien van het taalgebruik en de inhoudelijke kwaliteit van scripties zijn tegenwoordig erg streng. Bij sommige onderwijsinstellingen mag je niet meer dan één grammaticafout per pagina maken. Is je scriptie afgekeurd? Loop je tegen de deadline aan en kom je er niet meer uit? Contacteer ons via [email protected] of laat meteen je scriptie op taal, structuur en inhoud controleren .

[custom-team-slider category="Corrector"]

Submit your Rating