Extra informatie die essentieel is

Aan het eind van je scriptie vind je over het algemeen de bijlagen. Deze voeg je achter in je scriptie toe. Dit hoofdstuk plaats je achter je literatuurlijst. Maar wat plaats je eigenlijk in de bijlagen? En hoe verwijs je in je scriptie op de juiste manier naar de bijlagen? Dat alles lees je in deze blog!

 

Wat staat er wel in en wat niet?

De bijlagen in je scriptie hebben als doel om ervoor te zorgen dat je scriptie niet oneindig lang wordt. Verder zorgen ze ervoor dat je wel alle relevante informatie van je onderzoek een plekje kan geven die voor de lezer vindbaar is. In je bijlagen plaats je over het algemeen materiaal dat dient ter illustratie. Dit is vaak materiaal dat niet van direct belang is om in een scriptiehoofdstuk te plaatsen. Denk hierbij bijvoorbeeld aan de volledige transcripten van interviews, de uiteenzetting van de vragen die je in je enquête verwerkt had, of afbeeldingen van modellen en analyses. In de hoofdstukken in je scriptie geef je voornamelijk duidelijke en relevante informatie weer. De informatie in de hoofdstukken dient beknopt te zijn, zodat de tekst helder is en niet te lang wordt. Bijkomende (secundaire) informatie kun je vervolgens in de bijlagen plaatsen. Daar plaats je dus secundaire informatie, maar wat valt hier nu precies onder? De volgende zaken kun je bijvoorbeeld, afhankelijk van je onderzoek, scharen onder secundaire informatie:

 

Hoe geef je de bijlagen weer in je scriptie?

Net als de meeste gedeelten in je scriptie, dien je een bepaalde weergave te volgen. Dit geldt ook voor de bijlagen in je scriptie. Je begint met de eerste pagina, hier geef je alle bijlagen weer in een inhoudsopgave. Elke bijlage krijgt een titel en een (volg)nummer. Vaak wordt de nummering van in Romeinse cijfers uitgedrukt, dit is echter niet verplicht. Het gebruik van normale cijfers is ook toegestaan.

Voor het helder vormgeven is het handig om elke bijlage een nummer te geven. Ook geef je de bijlage een duidelijk naam die verwijst naar wat er in de bijlage staat: Bijlage I: Enquêtevragen, Bijlage II: Transcripten, etc. Het geven van een duidelijke titel zorgt ervoor dat de lezer de bijlage eenvoudig kan vinden. Ook is het zo ook eenvoudiger om te verwijzen naar de bijlagen in je scriptie. Hoe dit verwijzen precies werkt, lees je verderop in deze blog. Als laatst is het verstandig om maar één bijlage per pagina te plaatsen en niet meerdere, zo blijft het een duidelijk overzicht.

 

Verwijzen naar de bijlagen in je scriptie

We hebben het in deze blog al een aantal keer genoemd, het verwijzen in de hoofdtekst van je scriptie naar de bijlagen. In de hoofdtekst van je scriptie plaats je namelijk enkel de relevante informatie. Aansluitende informatie plaats je in de bijlagen. Het zal regelmatig voorkomen dat je in je hoofdtekst de lezer wil verwijzen naar je bijlagen omdat daar verdere (secundaire) informatie, illustraties of figuren en tabellen te vinden zijn. Maar hoe verwijs je nu precies op de juiste manier naar je bijlagen?

Het verwijzen naar de bijlagen kan op twee manier. De eerste manier is door de bijlage tussen haakjes te noemen; Het volledige interview is te lezen in de bijlagen (zie Bijlage II). Een andere manier is om naar de bijlage te verwijzen in de tekst zonder haakjes te gebruiken: In Bijlage II vind je de volledig uitgeschreven interviews. Zoals je ziet, heb ik in beide gevallen het woord bijlage een hoofdletter gegeven, dit is ook de bedoeling wanneer je verwijst naar een specifieke bijlage. Spreek je gewoon over de bijlagen dan gebruik je geen hoofdletter.

 

Scriptiebegeleiding

 

Laat een reactie achter